war child | oorlogskind

Uren zat hij op het bankje in de brandende zon. De koperen ploert noemden we haar.

Hoe ik aan het fietsje kwam, weet ik eigenlijk niet, maar ik was er behoorlijk trots op en fietste de hele dag rond. Tussendoor ging ik even naar huis, of wat daarvan over was.

In de verte zag ik hem aan komen lopen, een oude man op weg naar de desa’s. Hij had een picolan op zijn hals, een stok met aan elke kant een mand. Hij liep langs de witte villa die sinds de bevrijding van Malang bewoond werd door de Militaire Politie. Ik kwam er vaak langs want de Nederlandse militaire waren mijn helden, onze bevrijders. Ik wilde later ook soldaat worden en ik weet nog dat ik met ze mee mocht naar de kazerne. Daar bleef ik dan overnachten, werd ik opgehaald en mocht ik mee in de vrachtwagen. Dat was een geweldige ervaring.

Maar die middag zag ik de MP-wacht uit zijn loket komen en ik hoorde hem roepen: HALT!! Terugkomen! Hij wees de oude man op het bankje te gaan zitten, naast de villa, middenin de verzengende zon.

Een uur later zat de man er nog. Ik vond het maar raar, want als je iets niet deed, dan was het wel je onnodig in de zon begeven. Dus stapte ik van mijn fiets. ‘Waarom zit je hier nu nog?’ Vroeg ik hem in het Javaans. ‘Het is toch veel te heet! Waarom ga je daar niet in de schaduw zitten?’ Ik wees naar de veranda van de villa. Maar toen de ouwe daar plaatsnam werd hij met een enkele vingerbeweging direct weer teruggestuurd naar waar hij vandaan kwam.  Met een dreigende vinger wees de wacht mijn kant uit. ‘Sodemieter op naar huis!’ en verdween weer naar binnen.

Aan het eind van de dag kwam ik er weer langs en zat de ouwe er nog steeds. Inmiddels drijfnat van het zweet en met kapotte, uitgedroogde lippen van de dorst. De manden naast hem op de grond. De zon begon al te zakken.

Nu moet je je voorstellen dat het in Indie heel snel donker wordt en je geen hand voor ogen meer ziet en het was nog een heel eind naar de Kampong. Daarnaast was het ronduit gevaarlijk om ‘s avonds nog op straat rond te hangen.

‘Je moet echt vragen of je niet naar huis mag, hij is je vast vergeten en het wordt donker’ zei ik. Ik zou dat binnen wel even gaan zeggen want ik was ervan overtuigd dat er een misverstand in het spel was. Ik was een kind, ik had geen angst en ik was best brutaal, dus stapte ik vol kinderlijk bravoure naar binnen om de boel recht te zetten, maar het werd me snel duidelijk gemaakt dat ik rechtsomkeer moest maken en dat ik me er vooral niet mee moest bemoeien.

Intussen zag ik de ouwe langzaam opstaan, de picolan weer op zijn schouders heffen en weglopen, terug naar de kampong.

Oscar begint ietwat nerveus met zijn bril te spelen, die langzaamaan steed sneller tussen zijn vingers begint te trillen.

Het volgende moment staat in mijn geheugen gegrift, zegt hij. Ik zie de wacht zijn loket uitstormen, geweer op de ouwe gericht. ‘TERUGKOMEN!’ hoor ik hem in het Nederlands schreeuwen, maar de ouwe, die alleen Javaans verstond, of er genoeg van had, dat weet ik niet, liep door.

Daarna de knal.. en mijn maag die het uitkotst van pijn als ik de ouwe op de grond zie zakken. Zonder waarschuwing had de militair de oude Indische man laf van achteren in zijn hoofd geschoten. De militair keek me nog even fijntjes aan voor hij terug naar binnen liep..

Een Nederlander die een Javaan doodschiet… dat was onbegrijpelijk.. in de rug nog wel… dat is iets… hoofdschuddend kijkt hij naar een onzichtbare plek op de grond. Het blijft een tijdje stil. Vreselijk vond ik het dat iemand zoiets gruwelijks deed, omdat ik zo brutaal was geweest. Het was zonder twijfel om mij te laten zien wie er de baas was. Zonder mij had die man nog geleefd.

En jullie kunnen allemaal proberen dat uit mijn hoofd te praten, maar dat lukt je toch niet. Al was die man maar gevangen gezet, maar neergeschoten? En dat allemaal door mij.

De psychologe vond het laatst maar vreemd dat ik daar zo’n trauma van had. Het was vanzelfsprekend dat ik geen schuld had aan de dood van de man, vond ze, maar je kunt het ze niet bijbrengen, wat voor een gevoel het is om zoiets mee te maken.

Ik was zo teleurgesteld in die Nederlander, dat het uitgerekend een Nederlander was die zo iets vreselijks deed… als het nu een Jap was geweest, dat waren de smeerlappen, maar dat een Nederlander zoiets deed…ik was zo idolaat van onze soldaten.

Voorheen had ik genoeg moorden en gruwelijkheden gezien, door de Jappen en de Indonesiers. Het is gek, maar dat deed me niks. Daar maakte ik geen deel van uit. Dat een Jap met een sabel achter een vrouw aan rende, vonden we normaal. Als kind kon je er bijna om lachen; een dronken man die met een sabel de kop van een vrouw afhakte. Het was een soort zelfbescherming. Maar dit was anders, hier maakte ik deel van uit.

Of ik er ooit nachtmerries van heb gehad? Over de ouwe? Nee dat geloof ik niet. In Indie misschien, maar ik denk het niet. Ik denk dat je zoiets zo ver kunt wegstoppen dat je er zelfs niet meer over droomt.

Het zou me niks verbazen als mijn hartfalen daar vandaan komt. We hebben nooit iets mogen vertellen.. Als ik het toen had kunnen verwerken, die eerste jaren in Nederland, dan was het misschien anders geweest. Vier jaar geleden barstte ik. Kon ik het allemaal niet meer tegenhouden. Vanuit de oncologie kreeg ik een psychologe toegewezen en toen kwam het allemaal eruit. Eerst kreeg ik twee jonge meiden die er niks van begrepen en er geen gevoel voor hadden. Ik kan me dat wel voorstellen. Maar daarna kreeg ik iemand die met me meeleefde. Ook al begreep ze niet alles, ze nam boeken over Indie voor me mee en gaf me tips over waar ik informatie vandaan kon halen om een beetje grip te krijgen op mijn verleden. Sindsdien kan ik er makkelijker over vertellen.

Weet je, er is zoveel gebeurd dat voor mij toen, als kind, normaal leek. Je moet je leven leiden binnen de omstandigheden. Je hebt geen keuze. Als kind speel je dwars door de ellende heen.

Ik heb geen idee hoe ik als persoon zou zijn geweest als ik dit niet zou hebben meegemaakt. Je wordt er toch altijd weer aan herinnerd. Vooral de laatste tijd. De oorlog in de Oekraine zorgt ervoor dat alles weer bovenkomt. De gedachtes en de angsten. Krijgen we een derde wereldoorlog? Het brandt inmiddels op zoveel plaatsen in de wereld en er zijn zoveel mensen die nooit een oorlog hebben meegemaakt, vooral jonge lui, en je ziet hoe gemakkelijk zij naar de wapens grijpen en beginnen te vechten alsof het een spel is. Dat beangstigt me.

Hoe krijg je de oorlog uit een kind, vraag je me. Niet. Zegt hij resoluut. Die krijg je er niet uit.

Het is even stil en hij pinkt een traan weg.

Maar dat is nu allemaal voorbij… Hij staat op. Gaan we nu taart eten?

Lees ook: ‘Nu kan ik het wel vertellen, nu de hetze naar de Duitsers voorbij is.’

In dit project laat ik zien hoe een kind de oorlog beleeft. Hoe het niks begrijpt van wat er allemaal om hem heen gebeurt en hoe het daarmee omgaat. Hoe dat zijn verdere leven heeft beïnvloed.

Ik wil laten zien wat er gebeurt als we niet naar verhalen willen luisteren, als hele gezinnen opgroeien met ouders die zwijgen. Ik wil dat onderzoeken want daar ben benieuwd naar. Ik wil weten hoe dat op zijn beurt ook hun kinderen, de tweede generatie weer raakt en welke invloed dat weer op hun leven heeft.

En ik wil vanuit een ander perspectief kijken. Een perspectief van compassie en begrip krijgen voor elkaar. Waarin we een samenleving creëren waarin mensen echt geïnteresseerd zijn in de ander en die mensen verbindt. Waarin we integreren ipv elkaar slechts tolereren. Want wanneer je niet geïnteresseerd bent in hoe een ander zich zou kunnen voelen, waarom zou je het dan erg vinden om die ander pijn te doen, te negeren, of schade toe te brengen?

De wereld staat in brand, we hebben zoveel vluchtelingen hier en het grootste deel daarvan is onder de 18 jaar. Ook zij hebben een verhaal en zijn hier veelal niet welkom, net als onze ouders toen. Ik denk dat we kunnen leren uit de verhalen en de ervaringen van onze ouders en ik hoop dat met het vertellen van die verhalen, nu na 70 jaar er ook een beetje een last van hun schouders valt.

De geschiedenis moet verteld en daarin gaat het niet alleen maar om de schuldvraag. Die vraag is niet voldoende.

De ogen openen voor wat er gebeurd is is van belang voor ons allemaal, maar het met de vinger wijzen naar wie er fout is geweest (en nu dus per definitie nog steeds ís in velerlei ogen) leidt alleen maar tot verwijdering en onbegrip voor elkaar. Zo zijn we terug bij af.

Ik ben ook benieuwd hoe de Indonesische jeugd staat in dit verhaal. Zijn ook zij nieuwsgierig naar verhalen van hun ouders en hebben ook zij een verborgen verleden? Hoe hebben zij dat dan ervaren? En kunnen we samen een mooi project maken?

Ik ben in zekere zin op zoek naar mijn roots en naar compassie voor mijn vader die ik de laatste jaren steeds beter ben gaan begrijpen. Vooral nu hij is gaan vertellen. Hopelijk kan ik je meenemen in mijn zoektocht en ook voor jou iets betekenen.

Share this Post